Catalpa bignonioides

Decoratief blad Opvallende herfstverkleuring Lichte schaduw Bladverliezend Middelgroot Opvallende vrucht Opvallende geur Volle zon Opvallende bloei

Description

De zuiderse trompetboom is inheems in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Hij werd reeds in het begin van de 18de eeuw in Europa geïntroduceerd. Het is de meest aangeplante soort. Het is een zeer decoratieve boom met groot hartvormig, lichtgroen blad en sierlijke witte bloempluimen in juni-juli. De trompet- of klokvormige bloemen lijken op een orchidee of op de bloem van vingerhoedskruid. In het najaar is hij getooid met talrijke, zeer lange peulvruchten, die tot laat in de winter aan de boom blijven hangen. Hij komt vrij laat in blad en verliest ook als een van de eerste bomen zijn blad.
Het wordt een middelgrote boom met een dikke stam die op een paar meter van de grond opsplitst in verschillende dikke zijtakken waardoor een brede, wat grillige paddestoelvormige kroon ontstaat. Op vruchtbare en vochtige grond groeit hij zeer snel waardoor er een onevenwicht kan ontstaan tussen het wortelgestel en de zware kroon, en de boom windgevoelig is. In oude parken kan je soms een omgewaaide trompetboom zien waarvan de zijtakken die de grond raken, opnieuw wortel hebben geschoten en doorgroeien. Op armere grond groeit hij veel minder snel en vormt hij een veel sterker wortelgestel waardoor hij daar wel goed windvast is.
De ongewone soortnaam bignonioides verwijst naar de tropische Bignonia die eveneens trompetvormige bloemen heeft.
Award of Garden Merit (AGM) 1993 en 2002

Shape

  • Growing habit: Vrij korte stam die snel vertakt met dikke zijtakken waardoor een brede, wat grillige, paddestoelvormige kroon ontstaat. Vrij weinig, maar dikke twijgen.
  • Height: 10-15 m
  • Width: 6-10 m
  • Vigour: snel
  • Root system: Vrij goed bestand tegen verharding en verdichting; vlezige wortels zijn gevoelig voor mechanische verstoring.

Leaf

  • Shape: tegenoverstaand, meestal in kransen van drie; groot toegespitst hartvormig blad, 15-30 cm lang en 10-25 cm breed; gaafrandig; aan de onderkant licht behaard.
  • Color: heldergroen, lichter aan onderzijde
  • Fall color: lichtgeel
  • Special features: Komt als een van de laatste bomen in blad en verliest als een van de eerste zijn blad. Bij kneuzing verspreid het blad een typische, eerder onaangename geur

Flower

  • Shape: trompetvormige bloemen met 5 rafelige lobben, 4-5 cm groot; staan in lange eindstandige opstaande pluimen, tot 25 cm lang
  • Color: wit met twee gele honingmerken en paarsrode vlekjes in de kroonbuis; stamper is bruin
  • Point of time: juni-juli
  • Special features: Zoete honinggeur

Fruit

  • Shape: tot 40 cm lange, dunne, hangende peulvrucht met kleine, spitse zaden en behaarde vleugels
  • Color: groen, later bruin
  • Point of time: vanaf september tot in het voorjaar

Stem

  • Stem / bark: Grijsbruin, ondiep gegroefd, met afschilferende schubben

Cultivation requirements

  • Stand: zon/lichte schaduw
  • Ground: stelt weinig bodemeisen, groeit zelfs op arme, droge zandgronden. Op vruchtbare, vochtige bodem groeit hij zeer snel en kan er een onevenwicht ontstaan tussen het wortelgestel en de kroon. Op arme grond groeit hij veel trager en wortelt hij veel steviger.
  • Climate zone: 6b
  • Special features: Zeer goed bestand tegen industriële vervuiling en stadsomgeving. Slecht tot matig windvast, afhankelijk van de groeisnelheid. Jonge bomen moeten met boompaal gesteund worden. Het harde hout van de twijgen is zeer breekbaar. Verdraagt zeer goed snoei.

Share this page