Chamaecyparis obtusa Pygmaea

Decoratief blad Lichte schaduw Zure grond Klein Opvallende geur Wintergroen Volle zon

Description

Chamaecyparis obtusa ‘Pygmaea’ is een semi-dwergvorm van de Japanse Hinokicipres met een breed spreidende, afgevlakt kogelvormige groeiwijze, met horizontaal gespreide, opgaande hoofdtakken en platte, waaierachtig vertakte twijgen. De takken zijn opvallend roodbruin gekleurd, het loof is fris bronsgroen, in de winter meer blauwgroen. Hij groeit traag – na tien jaar is hij ongeveer een 50 cm hoog en 60-70 cm breed. Uiteindelijk wordt hij zowat 1,5 hoog meter hoog en goed 2 m breed. Geënte exemplaren worden hoger dan planten op eigen wortel  die lager en breder groeien.
Een typisch kenmerk van de Hinokicipres zijn de schubachtige blaadjes in twee groottes en twee vormen. Ze zitten paarsgewijs, elkaar overlappend, dicht op de twijgen. Op de jonge twijgen zijn de schubben nog niet volgroeid en lijken ze meer op brede naalden.
Japanse cultivar in 1861 ingevoerd door de Britse plantenverzamelaar Robert Fortune.

Shape

  • Growing habit: Het is een semi-dwergvorm met een breed spreidende, afgevlakt kogelvormige groeiwijze met horizontaal gespreide, opgaande hoofdtakken en platte, waaierachtig vertakte twijgen.
  • Height: 1-1,5 m
  • Width: 1-2 m
  • Vigour: zeer traag
  • Root system: gevoelig voor verdichting en verharding

Leaf

  • Shape: Kleine, dakpansgewijs overlappende schubbladeren met stompe top; paarsgewijs gerangschikt in twee verschillende groottes, de kleine ruitvormig, de grotere lang en smal
  • Color: fris bronsgroen, in de winter meer blauwgroen, met een wit x-kruisje aan de onderkant
  • Fall color: wintergroen
  • Special features: eucalyptusgeur; In een strenge winter worden de topjes bruin, maar in het groeiseizoen verdwijnt dat weer

Flower

  • Shape: Kleine mannelijke kegels, knotsvormig, 3-5 mm lang; zitten aan de toppen van de twijgen. Vrouwelijke kegels zijn bolvormig, ong 1 cm groot; Ze zitten aan de toppen van kortere twijgen
  • Color: De mannelijke katjes zijn roodbruin; vrouwelijke kegels zijn geelgroen tot lichtbruin
  • Point of time: april-mei
  • Special features: Eenhuizig

Fruit

  • Shape: Houtige, bolvormige kegels van 8 à 12 mm in doorsnede; met 8-12 geribbelde schubben met bovenaan een inkeping; gerangschikt in tegenoverstaande paren; zitten alleenstaand aan korte steeltjes; gevleugelde zaden
  • Color: eerst groen, uiteindelijk oranjebruin
  • Point of time: rijp september-oktober; rijpen in één jaar

Stem

  • Stem / bark: Bast is roodbruin en voelt zacht aan, bij het verouderen vezelig en diep gegroefd, schilfert in verticale lagen af; jonge twijgen zijn opvallend rood-oranjebruin

Cultivation requirements

  • Stand: zon / halfschaduw, enigszins beschut tegen wind
  • Ground: vochthoudende, goed gedraineerde, humeuze grond, zand of leem, neutraal tot zuur, geen kalk
  • Climate zone: 4
  • Special features: matig bestand tegen luchtverontreiniging; geschikt voor stedelijke omgeving

Share this page