Cedrus libani

Decoratief blad Kalkhoudende grond Groot Opvallende vrucht Opvallende geur Decoratieve schors Wintergroen Volle zon

Description

De Libanonceder, Cedrus libani, komt van nature voor in bergachtige streken rond de Middellandse Zee, in Turkije, Syrië, Libanon tot Marokko. De ceder is het nationale symbool van Libanon. Tegenwoordig wordt ook de Atlasceder uit Marokko en Algerije als een subtype van de Libanonceder beschouwd. De Libanonceder is al sinds het midden van de zeventiende eeuw in Europa bekend en is een typische boom in grote kasteelparken. De allereerste Libanonceder werd waarschijnlijk in 1638 in Engeland geplant, in de tuin van de pastorij van Childrey bij Wantage in de vallei van de Thames. Die boom staat er vandaag nog altijd.
De Libanonceder is een majestatische, schilderachtige sierboom voor grote tuinen en parken, en voor publieke plantsoenen. In oude parken zijn vaak prachtige, oude exemplaren te zien. Hij heeft een losse vorm die eerst breed kegelvormig, later onregelmatig en breed, schermvormig afgeplat wordt. Hij heeft lange, zware takken die breed horizontaal uitgroeien. De stijve naalden zijn donkergroen met grijsblauwe schijn. Ze staan cirkelvormig rond de lange takken. Met de ouderdom groeien kleine naaldbosjes stervormig op de secundaire twijgen.
In de oudheid werd de Libanonceder als een mythische ‘Godenboom’ beschouwd. Het vellen van de ceder betekende het einde van het koninkrijk of van de wereld. Ook in de bijbel wordt hij herhaaldelijk vernoemd als een symbool van macht en waardigheid, dapperheid en glorie, schoonheid en vruchtbaarheid. Zo zou Mozes een tak van de Ceder hebben gesneden die hij als mirakelstaf gebruikt. Hij deed onder meer water uit de rotsen vloeien, en deed er de Rode Zee mee open gaan om de kinderen van Israël te laten vluchten voor het leger van de Farao. Ook de tempel van Salomon was gebouwd met cederhout. Nebukadnezar, koning van Babylon van 605-562 v.Chr. prijst zich zelf op één van zijn spijkerschrifttafels als volgt: 'Voor de bouw heb ik machtige ceders, die ik op de berg Libanon kapte, mee naar huis gebracht.' De Egyptenaren gebruikte

Shape

  • Growing habit: Dikke, korte stam; vaak meerstammig of laag vertakt; de eerder luchtige kroon is aanvankelijk vrij slank en piramidaal; bij het ouder worden, wordt de kroon onregelmatiger gelaagd, en veel breder met een schermvormig afgeplatte kruin; de top is rechtopstaand of schuin opzij gebogen; de zware takken groeien bij het ouder worden meer en meer horizontaal en ook de zijtakken spreiden zich breed uit.
  • Height: 20-35 m
  • Width: 10-20 m
  • Vigour: traag
  • Root system: gevoelig voor verharding en verdichting

Leaf

  • Shape: stijve, spitse naalden, 2-4 cm lang, staan afzonderlijk in cirkels op de lange takken en in dikke bosjes spiraalsgewijs op de korte loten. Ze worden om de twee jaar vernieuwd.
  • Color: donker groen, met zilverblauwe strepen
  • Fall color: wintergroen
  • Special features: sterk aromatisch; bij strenge vorst kunnen de naalden bevriezen en afvallen, maar ze herstellen nadien.

Flower

  • Shape: De mannelijke kegels zijn conisch vingervormig en hebben een lengte van 3 tot 5 cm, rechtopstaand op de korte loten; vrouwelijke kegels zijn klein eivormig, 1-2 cm, en wijzen naar boven.
  • Color: mannelijke kegeltjes zijn geelachtig of een beetje roze. De vrouwelijke bloemen zijn lichtgroen of roze
  • Point of time: Juni- september
  • Special features: Eenhuizig; Hij bloeit vanaf 20-25 jaar

Fruit

  • Shape: Kegels zijn rechtopstaand en tonvormig tot eirond met een uitholling aan de top, 8-12 cm lang en 4-6 cm breed. Bevatten veel hars; De gladde schubben zijn ongeveer 5 cm breed; Ze staan op korte steeltjes, alleenstaand; Eens rijp, vallen de schubben af en komen de gevleugelde papierachtige zaden vrij.
  • Color: groen, later paarsbruin
  • Point of time: Ze rijpen in twee jaar, vallen af in het voorjaar

Stem

  • Stem / bark: Schors is glad en donkergrijs, bij het ouder worden komen er groeven in de boomschors en vormen zich grote platen die afschilferen. Jonge scheuten zijn donzig behaard. De knoppen zijn glimmend, donkergroen of blauwachtig groen en hebben een lengte van 1 tot 2 cm. Ze zitten vaak in bosjes van circa 40 stuks bijeen. Het hout is zeer aromatisch.

Cultivation requirements

  • Stand: zon, enigszins beschut
  • Ground: Verkiest een eerder lichte, goed doorlaatbare droge zand- of leemgrond, bij voorkeur kalkrijk.
  • Climate zone: 6b
  • Special features: Jonge bomen beschermen tegen strenge vorst; Goed bestand tegen droogte; gevoelig voor luchtvervuiling, wel geschikt voor een stedelijke omgeving

Share this page